De openingszin – vierde zomerblog

De eerste zin van een boek moet iets beloven, vind ik. Of oproepen.
De lezer slaat de eerste bladzij op met een bepaalde verwachting of scepsis. Het is de taak van die eerste zin om de lezer in het verhaal te trekken. Er moet iets gebeuren dat lijkt op watertanden, trek krijgen, gretig worden. Er moet een geur langs komen, een deur openkieren of juist dichtslaan.

Die eerste zin, daarmee probeert de schrijver goodwill te kweken. Dat is nodig omdat je als schrijver deksels goed weet dat het lezen van je boek een heleboel tijd gaat kosten. Daartoe is de lezer alleen bereid als hij of zij geboeid raakt.
De eerste regel komt niet het eerst, hoor! Bij mij niet tenminste. Gedurende het schrijven van het eerste hoofdstuk verandert de eerste regel wel tien keer. Ik ben dan nog zoekend naar hoe ik mijn hoofdpersoon aan de lezer voor ga stellen. In welke gemoedsaandoening, bedoel ik dan. Is het een mooie dag voor hem of haar, of een dramatisch moment?
Hoe toon ik meteen in die eerste zin al een stukje karakter, zodat u meer wil weten van dit mens.
De eerste regel van Vogelvlucht, die gaat zo:

Er is niets moeilijks aan rechtdoor fietsen.

Ik vind dit een spannend en vitaal zinnetje, ik hoop u ook!  Want u zit meteen in het hoofd van iemand die rechtdoor fietsen blijkbaar wél moeilijk vindt.  In het hoofd van Matthy dus, als het goed is kent u haar al uit Vindersloon. Daar is ze de capabele zus van Hilly, twee benen op de grond en in staat tot relativeren.
Wat is er aan de hand? Wat is er gebeurd dat Matthy niet meer rechtdoor kan?
Ja, ja, zodra die vraag in uw bewustzijn plopt, kan het verhaal beginnen, ik vertel het u wel, het is nog erger dan u dacht, lees, lees, lees door en u komt te weten waarom Matthy de trappers niet meer rondkrijgen kan.

En natuurlijk ook hoe ze een nieuwe weg vindt, dwars door de brokstukken en het puin heen…

Joke Verweerd

Geef een reactie